Beleggen voor beginners: op zoek naar alpha

Het rendement van beleggingsfondsen: daar heeft Morningstar het vaak over. Er zijn verschillende soorten rendement waar een belegger naar kan kijken. In dit artikel gaan we in op de componenten waaruit rendement is opgebouwd. Ook leggen we een van de belangrijkste vaktermen voor beleggers uit: alpha.

Jeffrey Schumacher, CFA 14 april, 2016 | 12:55

Bruto versus netto
In het artikel ‘Beleggingsfondsen in een notendop’ kwamen de termen bruto en netto rendement al aan de orde. Een bruto rendement is het rendement van de beleggingsportefeuille voor aftrek van kosten. Het geeft dus het pure resultaat van de beheeractiviteiten van de fondsbeheerder weer.

Maar het is voor beleggers weinig relevant. Want een fonds dat een bruto rendement haalt van tien procent en twee procent kosten rekent, heeft het minder goed gedaan dan een fonds dat negen procent rendement behaalt en een half procent kosten rekent. Voor beleggers is het netto rendement, dus na aftrek van kosten, het enige relevante rendementscijfer.

Rendementsbronnen
Het lijkt voor beleggers eenvoudig om te zien wat het rendement van hun beleggingen is. Kijk op de beleggingsrekening en in één oogopslag is te zien dat aandeel X de vorige dag twee procent is gestegen en beleggingsfonds Y drie procent in waarde is toegenomen. Deze rendementen vertellen echter maar een deel van het verhaal. Er zijn namelijk meerdere componenten die het rendement van een belegging bepalen.

De eerste en waarschijnlijk meest bekende component is het koersrendement. Dat is wat beleggers direct kunnen zien in hun beleggingsrekening. Het is de waardeverandering van een belegging over een bepaalde horizon, bijvoorbeeld een dag, week of maand. Wanneer beleggingsfonds A is gekocht voor 10 euro en de volgende dag is de koers 10,10 euro, dan is de waardeverandering 10 cent, wat overeenkomt met 1 procent. Die ene procent is het rendement als gevolg van een verandering in prijs en dat noemen we koersrendement.

Dividend en coupon
Een tweede component is het dividendrendement bij aandelen, of in het geval van obligaties, couponrendement. Dividend is een deel van de winst dat een bedrijf aan zijn aandeelhouders uitkeert. Het bedrijf bepaalt de hoogte en frequentie van het dividend. Obligaties kennen vaak een vaste vergoeding in de vorm van een coupon, ofwel een rentevergoeding over het uitgeleende bedrag.

De uitkering van een dividend of coupon ziet een belegger niet terug in een koersstijging van een aandeel of obligatie, maar is dus weldegelijk een vorm van rendement. In het geval van een beleggingsfonds worden de ontvangen dividenden en coupons verzameld in het beleggingsfonds.

Vervolgens zijn er twee mogelijkheden: uitkeren of herbeleggen. Wanneer een belegger heeft gekozen voor de distributieklasse van het beleggingsfonds, dan wordt het verzamelde bedrag uitgekeerd als dividend aan de belegger. Fondsen die het dividend distribueren hebben doorgaans de letters “inc” of “dis” achter hun naam staan. Kiest de belegger voor een kapitaliserende fondsklasse, dan blijft het verzamelde geld binnen het fonds en wordt dit herbelegd in de posities van het fonds. Hiermee stijgt de waarde van het fonds. Fondsen die het dividend herinvesteren hebben doorgaans de letters “acc” of “cap” achter hun naam staan.

Wanneer een belegger in het eerder geschetste voorbeeld naast de 10 cent waardestijging ook een dividend ontvangt van 10 cent, dan heeft hij dus een koersrendement van 1 procent gerealiseerd, vermeerderd met een dividendrendement van 1 procent (berekend als de dividenduitkering gedeeld door de aanschafprijs van het beleggingsfonds). Hiermee komt de winst voor de belegger uit op 20 cent, oftewel 2 procent ten opzichte van de aanschafwaarde van 10 euro.

Valuta-effect
Een derde component is het rendement als gevolg van veranderende valutakoersen. Wanneer een belegger effecten koopt die in een andere valuta noteren dan de euro, dan stelt hij zichzelf bloot aan wisselkoersrisico. Dat kan gevolgen hebben. Kijk naar het hiervoor genoemde voorbeeld. Als dat een belegging was in Amerikaanse dollars en de dollar daalt 2 procent ten opzichte van de euro, dan heeft de belegger 2 procent winst als gevolg van koersstijging en dividend, maar wordt dit teniet gedaan door de lagere dollarkoers.

Een rendement bestaat dus uit meerdere componenten die voor beleggers niet altijd direct zichtbaar zijn. Het zijn deze drie: koersrendement, dividend/couponrendement en wisselkoersrendement.

Relatief rendement: overrendement (alpha)
Het totaalrendement zoals we dat hiervoor hebben gedefinieerd, heeft betrekking op een absoluut rendement. Een absoluut rendement is relevant voor beleggers, want het geeft immers aan hoeveel geld er is verdiend of verloren.

Een absoluut rendement geeft echter een eenzijdig beeld van de kwaliteit van dat rendement. Stel, uw beleggingsfonds haalt een totaalrendement van 10 procent. Dat is in absolute termen een mooie prestatie, maar is 10 procent nu goed of niet? Dat kunt u alleen beoordelen door het rendement te vergelijken met een index (benchmark), waarmee we overstappen van een absoluut rendement naar een relatief rendement.

Om het relatieve rendement enige betekenis te geven is het van belang om de juiste index als benchmark te gebruiken. Een wereldwijd aandelenfonds dat alleen in ontwikkelde landen belegt kan zich bijvoorbeeld spiegelen aan de MSCI World Index, maar een wereldwijd aandelenfonds dat deels in opkomende landen belegt zou zich moeten spiegelen aan de MSCI World All Countries Index. Het spreekt voor zich dat een mismatch tussen beleggingsfonds en benchmark leidt tot onjuiste conclusies over de kwaliteit van het rendement.

De juiste index
Daarnaast moet een vergelijking altijd plaatsvinden met een index die het totaalrendement weerspiegelt. Een vergelijking met een prijsindex, die uitsluitend de koerswinst weerspiegelt, geeft dus een onjuiste vergelijking omdat het ontvangen dividend hierin niet wordt meegenomen. Een Nederlands aandelenfonds is daarom niet zomaar te vergelijken met de standaard AEX index. De juiste vergelijking is met de AEX herbeleggingsindex, waarin ontvangen dividenden worden herbelegd.

Wanneer de juiste index is geselecteerd als benchmark voor een beleggingsfonds, dan kunnen de totaalrendementen vergeleken worden. Het verschil in rendement, dat dus zowel positief als negatief kan zijn, noemen we overrendement of actief rendement. In het Engels wordt dit aangeduid als excess return of alpha. Wanneer het relatieve rendement positief is spreken we van outperformance, bij een negatief relatief rendement van underperformance.

Om een en ander te verduidelijken volgt een voorbeeld. Stel, het Nederlandse aandelenfonds behaalt een rendement van 10 procent en de AEX herbeleggingsindex haalt een rendement van 15 procent. Het rendement van het Nederlandse aandelenfonds is dan in absolute termen misschien hoog, maar in relatieve termen heeft het fonds slecht gepresteerd. Het negatieve relatieve rendement van 5 procent ten opzichte van de benchmark betekent dat het fonds een negatieve alpha heeft en daardoor underperformance heeft geleverd.

(klik op grafiek voor vergroting)

Geannualiseerd rendement
De laatste vorm van rendement die regelmatig wordt besproken is geannualiseerd rendement. Een geannualiseerd rendement is een rendement dat over een bepaalde periode omgerekend wordt naar een periode van een jaar. Als fonds A bijvoorbeeld een rendement van 5 procent in zes maanden heeft, en fonds B een rendement van 4 procent in vier maanden, dan is het geannualiseerde rendement van fonds A 10,25 procent (1,05*1,05) en van fonds B 12,49 procent (1,04*1,04*1,04). In plaats van een kortetermijnrendement om te rekenen tot een jaarlijks rendement, kan een meerjarig rendement ook omgerekend worden naar een jaarlijks gemiddeld rendement. Een fonds dat over vijf jaar een totaalrendement heeft behaald van 20 procent heeft niet ieder jaar gemiddeld genomen een rendement van 4 procent behaald. Een geannualiseerd rendement is een samengesteld rendement, wat wil zeggen dat het rekening houdt met het rente-op-rente effect. Het geannualiseerde rendement voor dit beleggingsfonds is daardoor gelijk aan 3,71 procent (1,20^(1/5).

Dit is het tweede artikel uit een vierdelige reeks waarin Morningstar de basisbegrippen van beleggen uitlegt voor de beginnende belegger. Lees ook de andere delen uit deze serie:

- Beleggingsfondsen in een notendop

Denkt u alles te weten over beleggen? Klik hier om dat te bewijzen met de Morningstar Investing Mastermind Quiz.

Over de auteur

Jeffrey Schumacher, CFA  is fondsanalist bij Morningstar Benelux