Onder druk: kosten van ETFs dalen al bijna twintig jaar

Kostenverlagingen zijn een onlosmakelijk fenomeen van ETFs. Een terugblik op de reden voor de huidige prijzenoorlog, de invloed ervan op beleggers en de verwacthingen voor de toekomst.

Robert Goldsborough, ETF analyst 29 januari, 2013 | 15:00

Een van de meest besproken onderwerpen in de wereld van de ETFs is de aanhoudende prijsoorlog die de kosten voor beleggers maar blijft terugdringen. Deze oorlog is er de afgelopen jaren alleen maar heviger op geworden, naarmate het op de ETF-markt drukker werd. Er zijn ETFs geïntroduceerd die een look-alike waren van gevestigde namen, maar dan met lagere kosten. Verschillende nieuwe ETF-aanbieders gebruikten de strategie van de laagste kosten in een bepaalde productcategorie en hier en daar reageerden gevestigde spelers daar op met prijsverlagingen.

Weer andere ETF-providers introduceerden andere strategieën of zochten andere manieren om hun producten van de concurrentie te onderscheiden. Zo wezen ze beleggers bijvoorbeeld op andere, indirecte kosten van een positie in een ETF die bovenop de vermelde TER in rekening werden gebracht. En onlangs hebben handelsplatforms met ETF-emittenten overeenkomsten gesloten om een select aantal ETFs zonder provisies aan te bieden.

Naast de prijsoorlog kunnen ETF-kosten ook veranderen op basis van stijgingen en dalingen in het beheerd vermogen. Soms worden deze veranderingen alleen gepubliceerd in documenten die bij de SEC worden ingediend. Eind december kondigde Vanguard lagere kosten aan voor 24 ETFs en hogere kosten voor twee fondsen. Maar omdat Vanguard zich sterk maakt dat het al zijn ETFs (en beleggingsfondsen) tegen kostprijs beheert, beschrijft het bedrijf lagere kostenratio's niet noodzakelijk als prijsverlagingen. In plaats daarvan meldt het gewoon dat de lagere (of hogere) kostenratio's van fondsen te wijten zijn aan veranderingen in de activaniveaus.

In het geval van iShares stegen de kostenratio's van zo'n 40 ETFs enkele weken geleden elk met een paar basispunten, onder meer door wijzigingen in de activaniveaus. Deze verandering in de kosten werd alleen vermeld in prospectussen die bij de SEC werden ingediend.

Morningstar zou de meer actieve prijsverlagingen ronduit als een sectoroorlog bestempelen, bedoeld om marktaandeel te veroveren, terwijl de kleinere veranderingen in de kosten veeleer als een kwestie van schaal kunnen worden beschouwd en als een weerspiegeling van de groei van de sector.

Desalniettemin geloven we niet dat deze beslissingen over ETF-prijzen, al dan niet proactief, in een vacuüm plaatsvinden. Ze worden onbetwist genomen uit concurrentieoverwegingen. Het is bovendien vrij duidelijk dat de ETF-kostenoorlog niet binnen afzienbare tijd zal bedaren. Nu we een nieuw jaar zijn ingegaan, is het volgens ons een geschikt moment om de belangrijke perioden in de ETF-prijzenoorlog in de Verenigde Staten weer eens onder de loep te nemen. Die heeft ook zijn weerslag op de kosten van ETFs in Europa. 

State Street SPDRs: de pioniers
De pionier van het ETF-universum is State Street, dat in januari 1993 het allereerste ETF ooit op de markt bracht, SPDR S&P 500 (SPY) met een prijskaartje van 0,20 procent. In de loop van de volgende acht jaar vulde het bedrijf zijn productportefeuille aan met een hele waaier van ETFs, waaronder bredere-index-ETFs, fondsen gewijd aan specifieke activaklassen zoals REITs en de allereerste reeks van Amerikaanse aandelen-ETFs. Bijna onmiddellijk werden er kostenverlagingen gemeld en voor sommige fondsen gebeurde dat vrijwel elk jaar. Zo kostte bijvoorbeeld SPY 0,19 procent in 1995, 0,18 procent in 1996 en 0,17 procent in 1999. In 2004 bedroeg zijn prijskaartje nog amper 0,11 procent.

Inmiddels werd door de Select Sector SPDR ETFs, gewijd aan Amerikaanse aandelen, eerst een kostenratio in rekening gebracht die naar de huidige normen buitensporig lijkt: 0,57 procent. Nog geen twee jaar later waren de kosten van die aandelensector-ETFs afgenomen tot 0,28 procent. In 2010 daalden ze tot 0,20 procent.

iShares: de globale strategie
In 1996 introduceerde iShares zijn eerste ETFs: een reeks van landenfondsen gericht op ontwikkelde economieën en op opkomende markten. In 2000 bracht iShares nog eens 14 ETFs op de markt die ruime segmenten van de markt volgden, waaronder posities in Amerikaanse large-caps en mid-caps en bepaalde Amerikaanse sectoren. In 2003 was het bedrijf actief in talrijke andere facetten van de markt, met zowel in de VS als in het buitenland een waaier van brede indexfondsen, enkele obligatie-ETFs en het begin van een reeks aandelensectorfondsen. iShares' 'globale' strategie, die vandaag de dag zo'n 28 ETFs omvat waarmee het een dominant marktaandeel heeft, hield in dat ze vrijwel overal aan meededen en niet alleen concurreerden op basis van lagere kosten.

Vanguard: trouw aan de kern
Vanguard betrad de ETF-markt in 2001 met twee kernproducten: Vanguard Total Stock Market ETF (VTI) en Vanguard Extended Market Index ETF (VXF). Vanguard, dat bekend staat om zijn voordelige, gemeenschappelijke indexfondsen van het open type, begon ETF-aandelenklassen van zijn gemeenschappelijke beleggingsfondsen uit te geven en bleek al snel bereid om zijn kosten aan te passen op basis van schaalvoordelen door het hogere beheerd vermogen. Tegen 2004 had het bedrijf een uiteenlopende waaier van brede ETFs en Amerikaanse sectorale aandelen-ETFs op de markt gebracht. De sector-ETFs begonnen met een prijs van 0,28 procent, die in 2010 tot 0,24 procent was gedaald.

Schwab vuurt het eerste schot af in de prijsoorlog
In 2009 doet Charles Schwab zijn intrede in de ETF-sector. Hij brengt, wat de kosten betreft, een revolutie teweeg. Voor twee van zijn vier nieuwe ETFs, Schwab U.S. Broad Market ETF (SCHB) en Schwab U.S. Large-Cap ETF (SCHX) berekent hij kosten van slechts 0,08 procent. Die prijskaartjes waren even laag als de kosten die werden gerekend voor andere op dat moment beschikbare ETFs, of zelfs lager.

Schwab's twee andere nieuwe fondsen, Schwab U.S. Small-Cap ETF (SCHA) en Schwab International Equity ETF (SCHF), kostten slechts 0,14 procent. Ook was Schwab binnen de sector de eerste die bestaande klanten die deze ETFs wilden kopen geen provisies aanrekende. De ETFs die vervolgens in 2010 en 2011 op de markt werden gebracht, waaronder een voordelig REIT-ETF tegen 0,13 procent en een goedkoop mid-cap-ETF tegen eveneens 0,13 procent, volgden hetzelfde model van de goedkoopste fondsen in de sector.

2010 en 2011: de oorlog wordt heviger
In september 2010 bracht Vanguard negen nieuwe brede-index-ETFs op de markt. Voor één daarvan, het langverwachte Vanguard S&P 500 ETF (VOO), bedroegen de kosten slechts 0,06 procent. Dat prijskaartje lag 3 basispunten lager dan de kosten die destijds door concurrenten iShares Core S&P 500 ETF (IVV) en SPDR S&P 500 (SPY) in rekening werden gebracht, waardoor het samen met het Schwab U.S. Broad Market ETF (SCHB) de plek innam van het goedkoopste Amerikaanse ETF van die tijd. Later die maand introduceerde Vanguard zeven nieuwe ETFs die brede Russell-indices volgden, met een lagere kostenratio dan de concurrerende ETFs van iShares op precies dezelfde indices.

Een andere low-cost provider liet in maart 2011 van zich horen. Toen het ETF-merk FocusShares, dat al geruime tijd niet meer actief was, opnieuw zijn opwachting maakte met de introductie van vijftien ETFs op basis van Morningstar-indices. (Morningstar verschafte licenties voor de indices en inde vergoedingen op basis van activa.) FocusShares trachtte zich met zijn ETFs vooral te onderscheiden op basis van zijn prijzen, waarbij de ETFs die de brede markt volgden en de large-cap-ETFs de laagste kosten aanboden van alle ETFs die op dat moment bestonden: slechts 0,05 procent. Bovendien brachten zijn aandelensector-ETFs een kostenratio van 0,19 procent in rekening, op dat moment de laagste prijs van alle sector-ETFs.

In december 2011 snoeide Vanguard met 15 tot 20 procent in zijn kostenratio's op Amerikaanse aandelensector-ETFs. Dat betekent dat het grootste deel van de vergoedingen van de fondsen daalde van 0,24 procent tot 0,19 procent, en het prijskaartje van het historisch duurdere Vanguard Financials ETF (VFH) daalde van 0,27 procent tot 0,23 procent. Dat prijskaartje van 0,19 procent was volgens velen niet toevallig: het ligt immers slechts 1 basispunt onder de 0,20 procent die State Street destijds rekende voor de sector-ETFs uit zijn SPDR-assortiment. Daarnaast stemde de prijs overeen met de vergoeding die FocusShares toen berekende voor zijn sector-ETFs.

De opkomst van de provisievrije ETFs
Nadat Schwab in 2009 provisievrije transacties had aangekondigd, begonnen verschillende andere handelsplatforms dat na te doen. In februari 2010 bood Fidelity voor het eerst 25 iShares-ETFs aan zonder provisie, terwijl Vanguard in mei 2010 provisievrije ETF-transacties begon aan te bieden. Dit voorbeeld werd al snel gevolgd door TD Ameritrade, dat in oktober 2010 aankondigde dat het voor 101 ETFs geen transactievergoedingen meer zou rekenen.

In maart 2011 sloten diverse andere brokers zich bij de trend aan. De moedermaatschappij van FocusShares, Scottrade, kondigde provisievrije transacties aan voor de 15 FocusShares-ETFs, terwijl Interactive Brokers liet weten dat er geen provisiekosten zouden worden gerekend voor de vijf FactorShares-ETFs die op dat moment werden verhandeld. De volgende maand betrad ook Firstrade het strijdtoneel met een aanbod van 10 provisievrije ETFs van Vanguard, iShares en PowerShares.

Eind 2011 was E-Trade de volgende broker in de rij die op 93 ETFs van drie ETF-providers provisievrije ETF-transacties aanbood: WisdomTree, Global X en db-X van Deutsche Bank.

2012: nog geen staakt-het-vuren
Begin 2012 leek State Street te reageren op de prijsverlagingen die Vanguard in december 2011 had doorgevoerd op zijn aandelensector-ETFs en verlaagde de kosten voor beleggers voor zijn negen populaire Amerikaanse aandelensector-ETFs van 0,20 tot 0,18 procent. Zodoende lagen de prijskaartjes van State Street's sector-ETFs slechts 1 basispunt onder de toenmalige kosten voor de sector-ETFs die door FocusShares en Vanguard werden uitgegeven.

Net als directieleden van Vanguard een maand eerder met klem hadden gesteld, verklaarde ook de directie van State Street dat hun prijsverlagingen geen reactie waren op de concurrentie. Het waren de stijgende activaniveaus die de prijsverlagingen mogelijk maakten, zeiden ze.

Al snel daarna begon Vanguard de kosten voor verschillende ETF-activaklassen terug te schroeven. In februari 2012 kondigde Vanguard voor zes ETFs een lagere kostenratio aan. Het grootste ETF, Vanguard FTSE Emerging Markets ETF (VWO), zag zijn prijskaartje dalen van 0,22 naar 0,20 procent. Daarnaast daalden de kosten voor het Vanguard High Dividend Yield Indx ETF (VYM) van 0,18 tot 0,13 procent, waardoor het een van de goedkoopste beschikbare dividend-ETFs werd.

In april 2012 verlaagde Vanguard nog meer kostenratio's, zij het met geringe bedragen van slechts 1 of 2 basispunten. De opmerkelijkste wijziging was de verlaging van de prijs van VOO van 0,06 naar 0,05 procent, waardoor het zich op dat moment het allergoedkoopste Amerikaanse ETF mocht noemen.

Het prijskaartje voor het Vanguard Total Bond Market ETF (BND) daalde van 0,11 tot 0,10 procent en de prijs van VTI ging van 0,07 naar 0,06 procent. Iets later in mei 2012 verlaagde Vanguard de kostenratio's voor twee andere ETFs. De kosten voor het Vanguard Dividend Appreciation ETF (VIG) namen af van 0,18 tot 0,13 procent, terwijl de kosten voor het bezit van het Vanguard REIT Index ETF (VNQ) daalden van 0,12 naar 0,10 procent. Tot slot berichtte Vanguard in oktober 2012 over plannen om voor 22 van zijn index-ETFs en beleggingsfondsen van benchmark te wisselen, omdat het de kosten voor beleggers nog verder wilde beperken.

FocuShares gooide in augustus 2012 de handdoek in de ring, waarmee het aantoonde dat lage ETF-kosten geen garantie vormden voor kapitaalinstromen. Nadat bleek dat zijn reeks van vijftien voordelige ETFs bij beleggers op weinig belangstelling kon rekenen, sloot het bedrijf de deuren, verliet het de beurs en vereffende het al zijn vijftien fondsen.

Schwab bleef in 2012 druk uitoefenen op de ETF-vergoedingen en kondigde in september 2012 kostenverlagingen aan voor al zijn vijftien ETFs. Twee daarvan werden meteen de voordeligste verhandelde ETFs: Schwab U.S. Broad Market ETF (SCHB) verlaagde zijn kosten van 0,06 tot 0,04 procent en de kostenratio van het Schwab U.S. Large-Cap ETF (SCHX) zakte van 0,08 naar 0,04 procent.

Tussen al deze schietsalvo's door zag iShares de erosie van zijn ETF-marktaandeel met lede ogen aan. Het fondshuis had nog steeds een dominante positie, maar van zijn marktaandeel dat in april 2009 wel 49 procent bedroeg, bleef in november 2012 nog maar 41 procent over. Als reactie hierop vertelde BlackRock CEO Laurence Fink beleggers in september 2012 dat zijn bedrijf van plan was om de kostenratio's van enkele van zijn iShares-ETFs het komende kwartaal te verlagen.

De daaropvolgende maand kondigde iShares een drastische nieuwe prijsstrategie aan, waarbij de kostenratio's van bepaalde ETFs aanzienlijk werden verlaagd, andere nieuwe fondsen werden geïntroduceerd en zijn klantenbestand in tweeën werd verdeeld: een voordelige basisreeks van ETFs voor buy-and-holdbeleggers met een langetermijnhorizon en een reeks uiterst liquide, hoger geprijsde ETFs voor frequent traders.

Verschillende ETFs, zoals het iShares Core S&P Total US Stock Market ETF (ITOT) en het iShares Core Total US Bond Market ETF (AGG), ondergingen een naamsverandering en een verlaging van de kostenratio van meer dan 50 procent, terwijl de naam van het iShares Core S&P 500 ETF (IVV) in geringe mate werd gewijzigd en zijn kostenratio daalde van 0,09 tot 0,07 procent.

Andere nieuwe 'kern-ETFs' waren onder meer het iShares Core MSCI Emerging Markets ETF (IEMG), waarvan de kosten van 0,18 procent slechts een fractie vertegenwoordigen van het populaire en uiterst liquide iShares MSCI Emerging Markets Index (EEM), ook al vertonen beide fondsen sterke gelijkenissen.

Uiteindelijk was de hele 'strategie' van iShares een complexe manier om te reageren op de druk van de sector om de kosten te verlagen en om af te zien van inkomsten op duurdere, uiterst liquide fondsen. iShares koos ervoor het probleem grotendeels op te lossen door een nieuw submerk van 'kern-ETFs' te creëren dat direct concurreert met de bestaande, duurdere ETFs van iShares, en met andere goedkope aanbieders.

Aan het einde van het jaar volgden nog meer kostenverlagingen. Eind december kondigde Vanguard lagere kostenratio's aan voor 24 van zijn ETFs. Voor de meeste van zijn Amerikaanse aandelensector-ETFs daalde de kostenratio van 0,19 procent naar 0,14 procent, waardoor ze moeiteloos de goedkoopste beschikbare sector-ETFs werden. Dit beleid had ook impact op de kosten van veel obligatie-ETFs en ETFs van mortgage-backed securities. Twee kleine mid-cap-ETFs, de slachtoffers van een negatieve operationele hefboomwerking, zagen hun kosten in werkelijkheid zelfs stijgen.

Er is een lange weg afgelegd
Wie al die tijd het meeste heeft geprofiteerd van de prijsoorlog in ETF-land is de belegger. Terwijl de verschillende aanbieders vochten over welk fonds de laagste kosten in rekening bracht, of wie het goedkoopste ETF op de markt bracht, punt - is de niet aflatende neerwaartse druk op de kosten voor prijsbewuste beleggers alleen maar positief geweest.

Als we onze blik over deze tijdlijn laten glijden, dan zien we enkele forse prijswijzigingen. Vandaag rekent het goedkoopste S&P 500 ETF, VOO, slechts kosten aan van 0,05 procent, een vierde van het prijskaartje waar SPY 20 jaar geleden mee uitpakte. De kosten van 0,14 procent voor de meeste sectoraandelen-ETFs van Vanguard vormen nog geen vierde van wat State Street in rekening bracht voor de eerste sectorale aandelenfondsen van de sector in 1998. En de 0,04 procent die Schwab nu vraagt voor zijn ETF dat de Amerikaanse brede markt volgt, is iets meer dan een vierde van wat Vanguard aanvankelijk in 2001 aanrekende voor zijn ETF dat de totale aandelenmarkt volgt.

En nu? In de komende jaren verwacht Morningstar dat verschillende dynamische factoren neerwaartse druk blijven uitoefenen op de kostenratio's van ETFs. Naarmate de sector groeit, verwachten we dat fondsaanbieders schaalvoordelen met beleggers zullen blijven delen, wat tot lagere kosten voor beleggers zal leiden. Ook verwachten we meer proactieve, concurrentiegedreven kostenverlagingen van ETF-providers die de aandacht van beleggers op zich willen vestigen.

Ook zien we die druk op de kosten zich verspreiden naar andere segmenten van de waardeketen, waarbij ETF-emittenten manieren blijven zoeken om de licentievergoedingen voor indices terug te dringen - zoals veranderen van indexprovider of zelf indices samenstellen - en we hopen dat de providers die besparingen ook delen met de beleggers. Tot slot heeft de neerwaartse druk op de kosten zich al verder verspreid dan brede index-ETFs, sectoraandelen-ETFs en obligatie-ETFs, namelijk naar ETFs die niet tot het oude traditionele segment behoren en we verwachten dat die tendens wordt voortgezet.



Denkt u alles te weten over beleggen? Klik hier om dat te bewijzen met de Morningstar Investing Mastermind Quiz.

Over de auteur

Robert Goldsborough, ETF analyst